Lezingen:
Genesis 47:28–50:26; 1 Koningen 2:1–12; Lucas 4:31–5:11

“Jakob leefde(vayechi) nog zeventien jaar in het land Egypte, zodat de dagen van Jakob, de jaren van zijn leven, honderd-zevenenveertig jaar waren. (Genesis 47:28)

Leven in Egypte, geworteld in de belofte

In de voorgaande parasha zagen we hoe Jakob met zijn zonen en hun gezinnen naar Egypte trok en daar eindelijk werd herenigd met zijn geliefde zoon Jozef.

Meer dan twintig jaar had Jakob geleefd met de overtuiging dat Jozef door wilde dieren was verscheurd, toen hij hem ooit naar zijn broers had gestuurd. Die pijnlijke gedachte werd nu onverwacht omgekeerd: Jozef leefde, en niet zomaar — hij bleek onderkoning van Egypte te zijn, de tweede man na de farao.

In de parasha Vayechi lezen we hoe Jakob zijn laatste zeventien levensjaren in Egypte doorbrengt. Toch begint deze parasja niet met rust of voltooiing, maar met een dringend verzoek. Jakob vraagt Jozef plechtig te zweren dat hij niet in Egypte begraven zal worden, maar dat zijn lichaam zal worden teruggebracht naar het Beloofde Land.

Hoewel God Jakob en zijn familie in Egypte overvloed en bescherming had gegeven, bleef het voor Jakob duidelijk: Egypte was een plaats van verblijf, geen thuis. Hij hield vast aan Gods verbondsbelofte — dat het land Kanaän aan hem en zijn nage-slacht gegeven was, voor altijd — en wilde ook in zijn sterven daarvan getuigen.

De parasja Vayechi betekent letterlijk: “en hij leefde”. Toch richt dit gedeelte uit de Torah zich juist op Jakobs laatste levensjaren en op zijn sterven. Die spanning is veelzeggend. Leven en dood wor-den hier niet tegenover elkaar gezet, maar in een dieper verband geplaatst.

Binnen het Joodse denken leeft de overtuiging dat de rechtvaar-digen niet werkelijk sterven. In de Talmoed klinkt zelfs de opval-lende uitspraak: “Jakob is niet gestorven.” Daarmee wordt niet ontkend dat hij lichamelijk stierf, maar beleden dat zijn leven in Gods verbondenheid niet werd afgebroken.

Diezelfde gedachte klinkt door wanneer Yeshua/Jezus spreekt over de opstanding. Hij verwijst naar Gods woorden bij de brandende doornstruik en zegt dat God zich noemt de God van Abraham, Isaak en Jakob — niet van de doden, maar van de levenden: “En wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden: hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in de doornstruik tot hem sprak: Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar een God van levenden. U dwaalt dus erg.” Marcus 12:26–27). Het leven bij God blijkt sterker dan de dood.

Daarin ligt ook een geweldige troost. Voor wie denkt dat het leven ontspoord is, dat geestelijke hoogten onbereikbaar zijn geworden, klinkt een belofte. Wie luistert naar Zijn woord en vertrouwt op Hem die gezonden is, ontvangt leven dat niet door oordeel wordt afgebroken, maar gedragen wordt door genade (Johannes 5:24).

Jakobs lichaam wordt weliswaar naar Kanaän teruggebracht — een scène die indringend is verbeeld door James Tissot — maar zijn leven is niet opgesloten in een graf. Het wijst vooruit, naar Gods trouw die generaties overstijgt.

En zoals Jozef in de hongersnood brood uitdeelde waardoor velen in leven bleven, zo wijst de Schrift uiteindelijk naar Hem die Zichzelf het levende brood noemt. Niet slechts voor een tijd, maar tot leven dat blijft. In Johannes 6:50 en 51 lezen we troostrijke woorden: “Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet en niet sterft. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.”

Zo nodigt Vayechi ons uit om anders naar leven en sterven te kijken: niet vanuit verlies, maar vanuit vertrouwen. De God die Jakob droeg, is ook nu de God van de levenden.

 

Niet de oudste, maar de geroepene

Aan het einde van Jakob’s aardse leven komt de vraag naar opvolging en erfenis vanzelf naar voren: wie zal het geestelijk leiderschap van Israël dragen?

Ruben, de eerstgeborene, blijkt daarvoor niet geschikt. Zijn impul-sieve handelen — zichtbaar in zijn omgang met Bilha, de bijvrouw van zijn vader — werpt een schaduw over zijn roeping (Genesis 35:22). Ook Simeon en Levi worden gepasseerd, omdat hun gewelddadige woede in Sichem getuigde van een hart dat niet tot leiding in vrede kon komen (Genesis 34:25–26).

Hoewel Jakob op zijn sterfbed al zijn zonen zegent, rust zijn meest overvloedige zegen op Jozef. Toch wordt ook hij niet aangewezen als drager van het leiderschap. De breuklijnen binnen de familie — de oude jaloezie en verdeeldheid — zouden de eenheid van de stammen kunnen ondermijnen, en juist die eenheid is onmisbaar voor Israëls toekomst.

Zo gaat het leiderschap over naar Juda (Yehudah). Over hem spreekt Jakob woorden die verder reiken dan het moment en de geschiedenis openen naar een grotere hoop. In zijn zegen klinkt een belofte door die later messiaans zal worden verstaan: “De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo1 komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen.”

Deze woorden bouwen voort op de eerdere belofte dat door Abrahams nageslacht zegen tot alle volken zou komen (Genesis 22:18). Ze wijzen vooruit naar een Messias

– afkomstig uit de stam Juda

– geroepen tot koningschap,

– en met een heerschappij die verder reikt dan Israël alleen, tot aan de volken van de aarde.

Zo wordt aan het einde van Jakobs leven niet alleen teruggeblikt, maar vooral vooruitgekeken — naar een toekomst waarin leider-schap, belofte en eenheid samenkomen onder Gods trouw.

 

Van Jakob tot de Leeuw van Juda

Yeshua vervult de messiaanse profetie die Jakob uitsprak over Juda. Interessant is dat deze profetie een tijdsgebonden aspect bevat: Juda’s koninklijke gezag zou blijven bestaan tot de komst van de Messias. De Talmoed merkt op dat Juda ongeveer veertig jaar voor de verwoesting van de Tempel in 70 n.Chr. het recht verloor om doodvonnissen uit te spreken, een teken van hun verminderd gezag.

Rond diezelfde tijd begon Yeshua Zijn bediening, die enkele jaren later zou eindigen met Zijn kruisdood door de Romeinen. De eerste komst van Yeshua vervult Jacobs profetie dus, maar slechts gedeeltelijk: op dat moment hebben slechts de heidenen en een klein deel van het Joodse volk Hem aangenomen.

Wanneer Hij terugkeert om Zijn koningschap volledig te vestigen, zullen zowel heidenen als Joden zich volledig aan Zijn gezag onderwerpen: “Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u toe gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild! Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten. Want Ik zeg u: U zult Mij van nu af aan niet zien, totdat u zegt: Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere!” (Mattheüs 23:37-39)

Zij zullen zich aan Hem onderwerpen, omdat Yeshua, “de Leeuw van de stam Juda, de Wortel van David”, reeds overwonnen heeft (Openbaring 5:5).

 

Zegen van generaties

Aan het einde van zijn leven sprak Jakob een bijzondere zegen uit over zijn kleinzonen Efraïm en Manasse: “Zo zegende hij hen op die dag; hij zei: Israël zal met jullie naam zegenen door te zeggen: Moge God u maken als Efraïm en als Manasse. Zo plaatste hij Efraïm vóór Manasse.” (Genesis 48:20)

Deze woorden vormen de basis van een eeuwenoude traditie. Nog steeds zegenen Joden hun zonen op vrijdagavond met dezelfde woorden: Ye'simcha Elohim ke-Ephraim ve hee-Menashe — “Moge God jullie maken zoals Efraïm en Manasse.” Voor dochters wordt traditioneel gebeden dat God hen maakt zoals Sara, Rebekka, Rachel en Lea.

Het zegenen van de kinderen tijdens de sjabbatmaaltijd, bij het aansteken van de kaarsen en het breken van het brood (challah), is meer dan een ritueel. Het is een moment van aandacht, hoop en het doorgeven van waarden en geloof.

Waarom juist Efraïm en Manasse? Rabbijnen wijzen erop dat zij de eerste broers waren die geen rivaliteit kenden. Zij doorbraken het patroon van conflicten dat in de Bijbel vaker voorkomt: van Ismaël tegen Isaak, Esau tegen Jakob, tot de broers van Jozef. Het feit dat Jakob van hand wisselde en de zegen van de eerst-geborene aan de jongere Efraïm gaf, benadrukte dat er geen strijd tussen hen was.

Een andere uitleg, zoals gegeven door Rabbi Shimshon Rafael Hirsch, wijst op hun opvoeding in Egypte, een samenleving door-drongen van afgoderij en hekserij. Ondanks deze omgeving behiel-den Efraïm en Manasse hun geloof in de God van Israël en stichtten ze hun eigen stammen binnen Israël.

In ons eigen leven kunnen wij niet altijd garanderen dat onze kinderen gevrijwaard blijven van invloeden die hun geloof of waarden kunnen aantasten. Wat wij wél kunnen doen, is hen onze zegen meegeven, hen bemoedigen en ondersteunen, zodat zij, net als Efraïm en Manasse of Sara, Rebekka, Rachel en Lea, trouw en rechtvaardig blijven, ongeacht de cultuur of omstandigheden om hen heen.

Er zijn zoveel invloeden die strijden om de harten, geesten en zielen van onze kinderen. Moge God ons wijsheid, genade en kracht geven om het geloof door te geven, zodat onze kinderen hun hoop op Hem vestigen en wandelen in gerechtigheid, vriendelijkheid en mededogen.

 

“De scepter zal niet van Juda wijken.” (Genesis 49:10)

In het profetische gedeelte wordt zichtbaar hoe de zegen van leiderschap die Jakob aan de stam Juda gaf, zijn voortzetting vindt in de troonsbestijging van koning David. Net zoals Jakob zijn zonen instructies gaf bij zijn afscheid, bereidde David het hart van zijn opvolger voor. Aan het einde van zijn leven verzekerde hij Salomo van het koningschap en gaf hem de duidelijke oproep om Gods wegen trouw te volgen:“Ik ga de weg van heel de aarde. Wees dan sterk en wees een man. Vervul je taak ten behoeve van de HEERE, je God, door in Zijn wegen te gaan, en door Zijn verordeningen, Zijn geboden, Zijn bepalingen en Zijn getuigenissen in acht te nemen, zoals geschreven staat in de wet van Mozes, opdat je verstandig zult handelen bij alles wat je doet, bij alles waar je je op richt.” (1 Koningen 2:2-3)

Deze woorden herinneren aan de opdracht die God aan Jozua gaf toen hij na Mozes de leiding overnam: “Alleen, wees sterk en zeer moedig, door nauwlettend te handelen overeenkomstig heel de wet die Mozes, Mijn dienaar, u geboden heeft. Wijk daar niet van af, naar rechts of naar links, opdat u verstandig zult handelen overal waar u gaat. Dit boek met deze wet mag niet wijken uit uw mond, maar u moet het dag en nacht overdenken, zodat u nauwlettend zult handelen overeenkomstig alles wat daarin geschreven staat. Dan immers zult u uw wegen voorspoedig maken en dan zult u verstandig handelen.” (Jozua 1:7-8)

Ook in het persoonlijke leven van ieder gelovig kind klinkt dit door, bijvoorbeeld bij de bar mitswa, de overgangsrite naar volwassenheid: “Nu ben je een man – wees sterk en blijf God trouw.”

Uiteindelijk ligt een van de grootste verantwoordelijkheden bij ouders en alle volwassenen: de volgende generatie de wegen van God leren, en het geloof en de hoop op Hem doorgeven. Zoals Psalm 78 ons herinnert: “Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob, een wet vastgesteld in Israël; die heeft Hij onze vaderen geboden om ze hun kinderen bekend te maken, opdat de volgende generatie ze zal kennen,de kinderen die geboren zullen worden, en zij opstaan en ze weer aan hun kinderen vertellen; zodat zij hun hoop op God stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden in acht nemen,” (Psalm 78:5-7)

 

Leven, dood en belofte in de Messias/Christus

In Parasha Vayechi zien we hoe Jakob zijn laatste zeventien jaren in Egypte doorbrengt, gedragen door de belofte van God, en hoe hij zijn sterfelijke einde plaatst in de context van Gods eeuwige trouw. Het leven bij God overstijgt de dood: zoals de Talmoed zegt, “Jakob is niet gestorven”, zo getuigt ook Jezus van het leven dat sterker is dan de dood. In Marcus 12:26–27 herinnert Hij ons eraan dat Hij de God van Abraham, Isaak en Jakob is — niet van de doden, maar van de levenden. Paulus echoot dit wanneer hij schrijft dat Christus opgestaan is, de eerstevrucht van allen die slapen, zodat wie in Hem geloven ook zullen leven (1 Korintiërs 15:20–22). Het graf kan het leven van de gelovige in de Merssias niet vasthouden; door genade ontvangen zij leven dat eeuwig voortduurt (Johannes 5:24; Romeinen 6:4–5).

 

Messiaans leiderschap en vervulling van de belofte

Het leiderschap van Juda, gezegend door Jakob, wijst vooruit naar de komst van de Messias. Jezus/Yeshua is de vervulling van deze belofte: als nakomeling van David is Hij de ultieme Koning, de “Leeuw van Juda” (Openbaring 5:5), geroepen om alle volken onder Gods gezag te verenigen. De eerste komst van de Messias vervult slechts een deel van Jacobs profetie; uiteindelijk, bij Zijn terugkeer, zal Zijn gezag volledig erkend worden door Joden en heidenen (Mattheüs 23:37–39; Galaten 3:28–29).

 

Zegen van generaties

Jakob zegende zijn kleinzonen Efraïm en Manasse en plaatste de jongere voor de oudste, als teken van vrede, trouw en het doorbreken van rivaliteit. Ook Paulus legt nadruk op het doorgeven van geloof en hoop van generatie op generatie: het geloof van grootmoeder Loïs en moeder Eunice werd aan Timoteüs doorgegeven, zodat hij standvastig kon blijven in Gods weg (2 Timoteüs 1:5). Het zegenen van kinderen, zoals in de Joodse traditie op de sjabbat, weerspiegelt de voortdurende noodzaak om waarden, vertrouwen en ethiek over te dragen, ongeacht de cultuur of omgeving.

 

Gehoorzaamheid, leiding en navolging

De oproep tot gehoorzaamheid aan God klinkt door in de instructies van Jakob, in de laatste woorden van koning David aan Salomo, en in Gods leiding aan Jozua (1 Koningen 2:2–3; Jozua 1:7–8). Paulus benadrukt dezelfde verantwoordelijkheid: ouders en volwassenen dragen de taak om de wegen van God te leren en het geloof door te geven (Efeziërs 6:4; Kolossenzen 3:16–17). Dit is een uitnodiging om kinderen en de volgende generaties te begeleiden in een leven dat geworteld is in trouw aan de Heere.

Pulus richt zijn woorden aan zijn geestelijke zoon Timotheus in 2 Timotheus 3:14-15: “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent, omdat u weet van wie u het geleerd hebt, en u van jongs af de heilige Schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof dat in Christus Jezus is.”

 

Reflectie

Wanneer wij nadenken over de laatste jaren van Jakob in Egypte, vallen twee dingen op: zijn leven was nog rijk aan ervaringen en zorgen, maar tegelijk diep geworteld in een belofte die de dood overstijgt. Hij leefde zeventien jaar in een land dat niet zijn thuis was, altijd bewust van de verbinding met het Beloofde Land en de zekerheid van Gods trouw. Dat bewustzijn maakt dat leven en sterven niet tegenover elkaar staan, maar in een voortdurende stroom van vertrouwen en verwachting.

Jakobs verhaal nodigt ons uit stil te staan bij onze eigen levenshouding: hoe dragen wij de belofte van Gods trouw mee, in tijden van onzekerheid en verlies? Zoals Jezus ons herinnert, is God een God van levenden, niet van doden (Marcus 12:26–27). Het leven bij Hem wordt niet door een graf begrensd, maar gaat door in genade en vernieuwing (Johannes 5:24; 6:50–51).

Even belangrijk is het oog voor de volgende generatie. Jakob zegende zijn zonen en kleinzonen, en in de keuzes die hij maakte, zoals het plaatsen van Efraïm vóór Manasse, zien we een diep verlangen naar vrede, continuïteit en trouw. Paulus echoot dit wanneer hij schrijft over het geloof dat van grootmoeder en moeder aan Timoteüs werd doorgegeven (2 Timoteüs 1:5) en het belang van het onderwijzen van kinderen in Gods weg (2 Timoteüs 3:14–15; Efeziërs 6:4). Het is een zachte, maar krachtige oproep: onze verantwoordelijkheid reikt verder dan onszelf, naar degenen die volgen.

Het verhaal van leiderschap in Israël, van Ruben en Jozef tot Juda, wijst ons ook op een subtiele waarheid: niet altijd de vanzelfsprekende keuzes, de eerstgeborenen of de sterkste, dragen de belofte verder. Soms zijn het de onverwachte, geroepenen — zoals Juda, of later Jezus, de Leeuw van Juda — die de vervulling brengen van Gods plan (Genesis 49:10; Openbaring 5:5). Dit kan ons helpen los te komen van vaste verwachtingen en open te staan voor de manieren waarop God werkt, soms via onverwachte wegen.

In deze beschouwing ligt een uitnodiging voor ons allen: om te leven met bewustzijn van Gods belofte, om hoop en zegen door te geven, en om vertrouwen te hebben in de voortdurende aanwezigheid van de Levende, ook in het sterfelijke. Het nodigt uit tot een innerlijke rust, een geduldige overgave, en een kracht die groeit uit het besef dat leven, hoop en geloof zich uitstrekken voorbij de grenzen van tijd en omstandigheden.

 

Eindnoot

1Genesis 49:10 spreekt over blijvend gezag in Juda “totdat Silo komt”. Het Hebreeuws laat ruimte voor meerdere lezingen: Silo als messiaanse figuur of als “hij aan wie het behoort”, de rechtmatige erfgenaam. Rabbijnse uitleg houdt deze verwachting open; christelijke uitleg herkent de vervulling in Jezus Christus, uit Juda, met koninklijk gezag dat reikt tot de volken. De tekst blijft bewust profetisch en uitnodigend, niet afsluitend.