Parasha Lech Lecha
(Ga heen)
Lezingen:
Genesis 12:1–17:27; Jesaja 40:27–41:16; Romeinen 4:1–25
“De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal” (Gen. 12:1).
Inleiding
Onze vorige Torastudie, Noach, eindigde met het geslachtsregister van Sem, de zoon van Noach. Dit register loopt door tot Terach, de vader van Abram, Nachor en Haran. Terach verliet Ur van de Chaldeeën en nam zijn zoon Abram mee, samen met diens vrouw Sarai en Lot, de zoon van Haran, die inmiddels was overleden. Hun doel was het land Kanaän.
Toch bereikten zij hun bestemming niet. Ze vestigden zich in Haran, waar Terach bleef wonen tot aan het einde van zijn leven.
Terach: Vertraging
De naam Terach (Hebreeuws: Térah) heeft geen eenduidige, vast omlijnde betekenis. Toch reiken zowel de Hebreeuwse taalkunde als de Joodse traditie enkele rijke duidingen aan die opvallend goed aansluiten bij zijn levensverhaal.
Sommige uitleggers brengen de naam Terach in verband met een wortel die kan duiden op ophouden, vertragen of blijven steken. Sommigen vertalen het zelfs met ‘station’. Dat geeft een veelzeggende diepte aan zijn geschiedenis. Terach vertrekt uit Ur met het doel het land Kanaän te bereiken, maar komt daar nooit aan. Onderweg vestigt hij zich in Haran, waar hij blijft tot aan zijn dood. In deze lezing belichaamt zijn naam een roeping die wel wordt aangevat, maar niet wordt voltooid—een weg die begint, maar niet wordt afgemaakt.
Andere verklaringen leggen een verband met een wortel die te maken heeft met adem, geur of damp. Dat roept het beeld op van iets vluchtigs en tijdelijks, iets wat geen blijvende vorm aanneemt. Ook dit past bij Terachs leven: hij is in beweging, maar zijn bestemming blijft onbereikt.
In de Joodse overlevering krijgt Terach bovendien een meer symbolische betekenis. Hij wordt gezien als iemand die tussen twee werelden in staat. Hij laat het oude achter zich, maar stapt het nieuwe niet werkelijk binnen. Hij verbreekt de band met het verleden, zonder de toekomst volledig te omarmen. Zijn naam wordt dan minder taalkundig en meer existentieel verstaan: een mens in overgang, zonder aankomst.
Tegen deze achtergrond krijgt de roeping van Abram extra zeggingskracht. Waar de vader bleef staan, gaat de zoon verder. Waar Terach ophield, zet Abram de weg voort. Zo vormt Terach, ook in zijn naam, het stille contrast dat de betekenis van Abrams gehoorzaamheid en geloof des te duidelijker laat uitkomen.
Haran: een plek waar het leven stagneert
De plaats waar de reist van Terach stopt, Haran, is eveneens veelzeggend. Taalkundig wordt Haran vaak verbonden met een Hebreeuwse wortel die te maken heeft met hitte, branden of verzengende warmte. In die zin roept de naam het beeld op van iets uitgedroogds of verschroeids—een plek waar leven stagneert in plaats van tot bloei komt. Het is geen toevallige halte, maar een plaats die eerder uitput dan vernieuwt.
Daarnaast klinkt in de naam een verwantschap door met woorden die toorn of verharding aanduiden. Dat geeft Haran ook een meer innerlijke betekenis: niet alleen een geografische plaats, maar een toestand van vastlopen, van innerlijke stilstand. Een plek waar beweging ophoudt, zelfs al is de reis nog niet voltooid.
In het Bijbelse verhaal krijgt die betekenis extra diepte. Haran is de plaats waar Terach blijft wonen en sterft—onderweg naar een bestemming die hij nooit bereikt. Daarmee wordt Haran meer dan een stad; het wordt een beeld van tussenruimte: niet meer in het oude, maar ook nog niet in het beloofde nieuwe.
Zo staat Haran voor:
-
een halte die een eindpunt wordt,
-
een plek van onderbreking,
-
een moment waarop gehoorzaamheid wordt uitgesteld.
Juist daarom klinkt Gods roepstem aan Abram daarna des te krachtiger: “Ga uit" Waar Haran staat voor blijven, staat de roeping voor verdergaan. De betekenis van Haran onderstreept zo het contrast tussen stilstaan en vertrouwen, tussen uitstel en gehoorzaamheid.
Ga uit!
Het Hebreeuwse woord dat hier wordt gebruikt verwijst naar het Hebreeuwse werkwoord (halak). In de meest basale zin betekent dit woord gaan of wandelen. Toch reikt de betekenis in de Schrift veel verder dan louter fysieke beweging. Halak beschrijft een leven in beweging, gevormd door richting, gehoorzaamheid en vertrouwen.
In zijn letterlijke betekenis duidt halak op voortgaan, stappen zetten, onderweg zijn. Het is een werkwoord dat nooit stilstaat: wie halak doet, is bezig met een proces. Maar juist in de Bijbel krijgt dit woord een diepere lading. Het wordt gebruikt om te spreken over de manier waarop iemand zijn leven leidt.
Zo lezen we over Henoch: “Henoch wandelde (halak) met God” (Gen. 5:24). Hier betekent halak niet dat hij naast God liep in fysieke zin, maar dat zijn hele leven werd gekenmerkt door een voortdurende omgang met Hem.
Ook Noach wordt zo beschreven: “Noach was een rechtvaardig man… Noach wandelde (halak) met God” (Gen. 6:9).
In deze context betekent halak: leven in afstemming, stap voor stap, dag na dag.
Wanneer Adonai Israël oproept tot gehoorzaamheid, gebruikt Hij opnieuw dit woord: “Heel de weg die de HEERE, uw God, u geboden heeft, moet u gaan (halak), opdat u leeft, en het u goed gaat, en u uw dagen verlengt in het land dat u in bezit zult nemen” (Deut. 5:33).
Halak wordt daarmee een sleutelwoord voor (verbonds)trouw. Het gaat niet om één daad van gehoorzaamheid, maar om een levensweg waarin men blijft gaan, ook wanneer de bestemming nog niet zichtbaar is. Deze betekenis komt prachtig naar voren in de roeping van Abram. God zegt tegen hem: “Ga uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader” (Gen. 12:1).
Hier staat letterlijk: lech lecha — ga, ga voor jezelf, ga op weg. Abram wordt geroepen tot halak: zijn leven komt in beweging door Gods Woord. Niet alles wordt uitgelegd, niet alles wordt vooraf onthuld. De kern is: gaan, vertrouwen onderweg.
Later klinkt dezelfde oproep in bredere zin: “Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen (halak) met uw God” (Micha 6:8).
Zo openbaart halak zijn diepste betekenis: leven als antwoord op Gods roep. Het staat tegenover stilstand, uitstel en blijven hangen. Waar sommige wegen halverwege eindigen, roept halak op tot doorgaan.
Samengevat drukt halak uit:
-
een leven dat zich laat leiden,
-
geloof dat zich uit in beweging,
-
gehoorzaamheid die zich ontvouwt onderweg.
Het is het woord van mensen die niet alleen weten, maar gaan; die niet blijven staan, maar hun vertrouwen stellen in Degene Die de weg wijst. In deze parasha zet Abram, op Gods aanwijzing, de onafgemaakte weg van zijn vader voort: de reis naar het land Kanaän, zoals het toen bekendstond als het beloofde land.
Sichem tussen zegen en vloek
“En Abram trok door dat land heen tot aan de heilige plaats bij Sichem, tot de eik van More. De Kanaänieten woonden toen in dat land. Toen verscheen de HEERE aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar voor de HEERE, Die hem verschenen was" Gen. 12:6–7)
Wanneer de Schrift voor het eerst de plaats Sichem noemt, gebeurt dat niet ‘toevallig’. Sichem—het huidige Nablus—ligt in het hart van het land, tussen de bergen Gerizim en Ebal. De naam Shechem betekent ‘schouder’ of ‘draagvlak’, en precies dat blijkt deze plaats door de eeuwen heen te zijn: een plek waar beslissende momenten in de geschiedenis van Israël plaatsvinden. Als Abram het land Kanaän binnentrekt, bereikt hij als eerste Sichem. De Schrift benadrukt daarbij: “En de Kanaänieten woonden toen in het land” (Gen. 12:6). Juist daar, in het land dat bewoond was, verscheen de HEERE aan Abram en sprak Hij: “Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven” (Gen. 12:7). Abram bouwt er een altaar. Sichem wordt zo de eerste plaats waar de landbelofte concreet wordt verankerd. De rabbijnen merken hierbij op dat Gods belofte niet afhankelijk is van machtsverhoudingen (hier tussen de Kanaänieten), maar van Zijn Woord alleen.
Jaren later keert Jakob terug uit ballingschap en komt aan in Sichem (Gen. 33:18). Hij koopt er land en bouwt een altaar dat hij El-Elohé-Israël1 noemt. Daarmee wordt Sichem opnieuw een plaats van bevestiging: het geloof krijgt vaste grond, niet alleen geestelijk maar ook letterlijk. Toch laten de gebeurtenissen zien dat het wonen bij heilige plaatsen niet automatisch goed gedrag garandeert. In Sichem vindt ook de tragische geschiedenis van Dina plaats (Gen. 34), waarin misbruik, bedrog en geweld samenkomen.
Ook de geschiedenis van Jozef raakt Sichem. Jakob stuurt zijn zoon naar zijn broers “bij Sichem” om naar hun welzijn te vragen (Gen. 37:12–14). Wat volgt is geen broederlijke zorg, maar afwijzing en verraad. De verkoop van Jozef begint hier, op deze plaats. Toch wordt juist via deze weg Gods grotere plan voortgezet. Sichem wordt daarmee een plaats waar menselijke fouten zichtbaar worden, maar waar Gods bedoeling niet wordt tegengehouden. Later, wanneer Israël het land is binnengetrokken, krijgt Sichem opnieuw een centrale rol. Tussen de bergen Gerizim2 en Ebal3—de berg van de zegen en de berg van de vloek—wordt het verbond voorgelezen (Deut. 27; Joz. 8:30–35). Sichem ligt precies daartussenin. De rabbijnen zien hierin diepe symboliek: het volk staat letterlijk tussen zegen en vloek, tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Sichem wordt zo een plaats van keuze.
Aan het einde van zijn leven roept Jozua heel Israël bijeen in Sichem (Joz. 24). Daar herinnert hij het volk aan Gods trouw en spreekt de indringende woorden: “Kies heden wie u dienen zult" Het verbond wordt vernieuwd op dezelfde plaats waar het ooit begon met Abram. Sichem fungeert opnieuw als geestelijk kruispunt.
Maar ook hier blijft de spanning bestaan. Na de dood van Salomo komt het volk samen in Sichem om Rechabeam als koning te erkennen (1 Kon. 12). Zijn harde antwoord leidt tot de scheuring van het koninkrijk en de opkomst van Jerobeam. Wat ooit een plaats van belofte en verbond was, wordt nu een plaats van politieke en geestelijke breuk.
Daarom spreken de rabbijnen over Sichem als “een plaats die is voorbereid op zowel grootheid als rampspoed" Niet omdat de plaats zelf slecht is, maar omdat zij een knooppunt van beslissingen is. Sichem laat keer op keer zien dat Gods belofte blijft, terwijl mensen steeds weer hun keuzes moeten maken.
Zo wordt Sichem een spiegel voor Israël.—.anders gezegd: voor ieder die leeft uit belofte. Het is de plaats waar God spreekt, waar de mens voor de keuze wordt gesteld (Joz. 24), waar vergeving en verantwoordelijkheid samenkomen.
De terebintboom van Moreh, waaraan Abram het altaar opricht, draagt eveneens betekenis. Het woord Moreh kan worden vertaald als ‘leraar’ of ‘wijze’, en suggereert een plek van goddelijke openbaring en leiding. Abram staat hier niet alleen in het land dat hem beloofd is; hij staat ook in het licht van Gods instructie en richting. Samen vormen Sichem en de boom van Moreh een krachtig symbool van draagvlak (Sichem) en richting (Moreh), een fundament waarop Gods belofte aan Abraham wordt gevestigd.
Abram en zijn vrouw Sarai worden hiermee de eerste kolonisten van het Heilige Land, vreemdelingen en toch erfgenamen van een eeuwige belofte. Adonai, de Bewoner en Eigenaar van het Heilige Land, doet een onverbreekbare belofte aan Abram en zijn nakomelingen: “Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven” (Gen. 12:7).
Hoewel de Kanaänieten destijds de macht over het land hadden, verzekerde God Abram dat het uiteindelijk aan zijn nageslacht – Israël – zou toebehoren. Dit principe, van Goddelijke heerschappij boven menselijke macht, vormt een rode draad door de Bijbel en benadrukt dat het land, ongeacht tijdelijke tegenstand, uiteindelijk God toebehoort.
Vandaag zien velen parallellen met de huidige politieke situatie in het Midden-Oosten. Grote delen van Israël worden door Palestijnse gemeenschappen bewoond, en wereldwijd pleiten sommigen voor een verdeling van het land, in de overtuiging dat een aparte Palestijnse staat naast een Israëlitische staat vrede kan brengen. Anderen vragen zich af of de terugkeer van het volk naar het beloofde land tevergeefs is geweest.
Maar Zijn Woord spreekt daar duidelijk over: “Want al zouden bergen wijken en heuvels wankelen, Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer” (Jes. 54:10)
God sloot meer dan een belofte; Hij vestigde een bloedverbond4, een eeuwige toezegging die niet afhankelijk was van menselijke prestaties, maar van Zijn eigen trouw. Dit verbond werd expliciet bevestigd aan Abraham en later doorgegeven aan Izak en Jakob, als een eeuwige erfenis (Gen. 17:7–8; 26:3; 28:13–14).
Opmerkelijk is dat Abraham niets hoefde te doen om dit verbond tot stand te brengen. In Genesis 15 lezen we dat God Abram in een diepe slaap bracht, terwijl Hij Zelf door de in stukken gedeelde offerdieren liep (Gen. 15:8–20).
In de oud-oosterse verbondspraktijk liepen normaal gesproken beide partijen tussen de offerdelen door als het verbond voorwaardelijk was. Hier echter gaat God alleen, wat het onvoorwaardelijke karakter van Zijn belofte benadrukt. Het verbond rust niet op menselijke trouw, maar op Gods eigen betrouwbaarheid.
Daarom is de aanspraak op het land niet primair politiek, maar een kwestie van goddelijk recht. Tegenstand is altijd aanwezig geweest – de Kanaänieten hadden hun wapens en bondgenoten, en Israël heeft ook vandaag tegenstanders. Toch maakt de Schrift duidelijk: het land behoort uiteindelijk God toe, en Hij kan het geven aan wie Hij wil: “Want het land behoort Mij toe” (Lev. 25:23). Zijn eeuwige verbond met Abraham blijft staan, en met Sichem als draagvlak en de terebint van Moreh als plek van leiding, zien we hoe God het fundament legt waarop Zijn plan met het beloofde land en Zijn volk onverbrekelijk rust.
Grenzen overstijgen
“En Ik zal uw nageslacht maken als het stof van de aarde; als iemand het stof van de aarde zou kunnen tellen, dan zou ook uw nageslacht geteld kunnen worden” (Gen. 13:17).
Toen Adonai Abram opdroeg het land van noord tot zuid te doorkruisen, was dat geen eenvoudige wandeling. In de oudheid bestond een gewoonte waarbij men eigendom claimde door het land daadwerkelijk te bewandelen. Koningen in Egypte en andere landen verlieten hun paleizen voor een ceremoniële tocht door hun grondgebied om hun recht op het land te bevestigen. In Mesopotamië plaatste een verkoper bij de overdracht van grond zijn voet bewust op het perceel, waarna de koper hetzelfde deed, zodat het eigendom officieel werd erkend.
Ook in de Schrift vinden we deze traditie terug. God zegt tegen Jozua: “Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven, overeenkomstig wat Ik tot Mozes gesproken heb” (Joz. 1:3).
Op dezelfde manier nam Abram door het land van noord tot zuid te doorkruisen het gebied symbolisch en juridisch in bezit, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn nakomelingen, als een eeuwigdurend bezit.
Talmoedische rabbijnen zien in Abrams tocht door het land een diepere betekenis. Ze vergelijken het met een flesje parfum dat pas geur verspreidt wanneer het wordt bewogen: zo verspreidt Abram door zijn bewegingen de geur van geloof door het beloofde land. Waar Noach ‘met’ God wandelde, wandelde Abram ‘voor’ God, als pionier die de weg opent voor de wereld om de ene ware God te leren kennen.
Abram overstijgt grenzen, zowel geografisch als geestelijk. Hij trok niet alleen van Mesopotamië5 naar Kanaän, maar maakte ook de moedige overgang van een wereld van afgoderij naar een wereld waarin de ene ware God wordt aanbeden. Aan de ene kant stond de wereld; aan de andere kant stond hij, geworteld in de waarheid.
Door deze reis ging Abram zijn bestemming tegemoet. Zijn nakomelingen zouden de zegen en beloning van dit pad erven, evenals het kenmerk van hen die de overgang maken—van het tijdelijke naar het blijvende, van het menselijke naar het goddelijke.
Om deze reden wordt Abram de eerste persoon genoemd die een Ivri was – letterlijk: ‘degene die overstak.’ Het woord komt van het Hebreeuwse werkwoord la’avor (oversteken) en wordt in de Schrift vaak weergegeven als een Hebreeër.
Het hoofdstuk Lech Lecha is daarom een van de meest boeiende in de Tora, omdat het de reis van de eerste Hebreeër met God beschrijft: een reis van geloof, gehoorzaamheid en een nieuw beginnen.
Mogen ook wij op zo’n levensveranderend punt komen, waar wij de overstap maken naar een nieuw en spannend avontuur met Hem.
Abram en Lot
“Er ontstond dan ook onenigheid tussen de herders van het vee van Abram en de herders van het vee van Lot” (Gen. 13:7).
In Genesis 13 lezen we dat Abram en zijn neef Lot zeer rijk zijn geworden. Hun kuddes en bezittingen zijn inmiddels zo groot dat het land hen niet allemaal kan onderhouden (Gen. 13:6).
Door deze situatie ontstaat er ruzie tussen de herders van Abram en die van Lot. In plaats van het conflict te laten escaleren, biedt Abram een vredige oplossing: ieder mag zijn eigen weg kiezen. Deze keuze onthult de diepere oorzaak van het meningsverschil. Toen Abram Lot de eerste keuze aanbood, koos Lot het beste voor zichzelf, in plaats van het welzijn van zijn oom, die hem als een zoon had behandeld, voorop te stellen.
Lot kiest de vruchtbare, groene vlakten van de Jordaan, in de buurt van Sodom en Gomorra, terwijl Abram verder trekt naar de vlakten van Mamre bij Hebron.
Sodom en Gomorra waren steden in de Jordaanvlakte, dicht bij de Dode Zee, die bekend stonden om hun extreme immoraliteit en het negeren van Gods wetten (Gen. 18–19). De namen zelf dragen een symbolische lading: Sodom kan verband houden met het Hebreeuwse woord voor ‘brand’ of ‘verwoesting’, en Gomorra met een woord dat ‘vernietigen’ of ‘voltooien’ betekent. Samen duiden ze op plaatsen van zonde en oordeel.
Geestelijk gezien symboliseren Sodom en Gomorra een samenleving die afwijkt van God en kiest voor egoïsme, geweld, onrecht en afgoderij. Ze herinneren ons eraan dat wat op het eerste gezicht vruchtbaar of aantrekkelijk lijkt – zoals Lot de vruchtbare Jordaanvlakte kiest – moreel en geestelijk destructief kan zijn. De steden zijn zo een waarschuwing tegen het volgen van schijnbare rijkdom en gemak ten koste van gehoorzaamheid aan God.
“En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte. Daarom koos Lot voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en Lot trok naar het oosten; en zij werden van elkaar gescheiden” (Gen. 13:10–11).
En zij werden van elkaar gescheiden…
Toen Abram en Lot hun wegen scheidden, koos Lot de vruchtbare Jordaanvlakte bij Sodom en Gomorra, een gebied dat op het eerste gezicht aantrekkelijk en rijk leek (Gen. 13:10–11). Maar hoewel het gras groener leek, betekende dat niet dat het de juiste keuze was. Het gebied was moreel en spiritueel gevaarlijk, en zou later door God worden geoordeeld.
Abram trok verder naar de vlakten van Mamre bij Hebron (Gen. 13:18). Hier vestigde hij zich in het licht van Gods leiding, bouwde een altaar en ontving de engelen die het wonder van Izak aankondigden (Gen. 18:1–15).
Mamre betekent ‘sterk’ of ‘standvastig’ en symboliseert het gewortelde geloof van Abram: een plaats van innerlijke zekerheid, trouw en gastvrijheid voor God. Hebron betekent ‘verbondenheid’ en staat voor de diepe verbinding met God en met de mensen om hem heen, een fundament van gemeenschap en standvastig vertrouwen.
Door zich hier te vestigen, koos Abram voor een leven dat gegrond is in gehoorzaamheid en vertrouwen op God, in plaats van het najagen van tijdelijk gemak of uiterlijk voordeel. Waar Lot werd aangetrokken door vruchtbaarheid en schijnbaar succes, kiest Abram voor standvastigheid en verbondenheid – een levensweg die rijk is aan geestelijke betekenis en toekomstige zegeningen voor zijn nakomelingen. Kort na hun scheiding blijkt dat Lot de bescherming van Abram nodig heeft, wanneer vier machtige koningen Sodom aanvallen en de stad, inclusief Lot, in bezit nemen6.
Abram handelt onmiddellijk. Hij verzamelt een klein leger van 318 mannen en trekt ‘s nachts tegen de vijanden op. Hij verslaat hen, achtervolgt hen tot Hobah7, ten noorden van Damascus, en brengt alles terug: de bezittingen, de vrouwen, het volk, en natuurlijk zijn neef Lot.
“Hij8 verdeelde zich 's nachts tegen hen in groepen, hij en zijn manschappen, en versloeg hen; en hij achtervolgde hen tot aan Hoba, dat links van Damascus ligt. En hij bracht alle bezittingen terug, en ook zijn broeder Lot en zijn bezittingen bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk” (Gen. 14:15–16).
Door deze gebeurtenissen toont Abram niet alleen militaire bekwaamheid en moed, maar ook grote zelfopoffering en vriendelijkheid jegens zijn neef. Ondanks dat zijn leger sterk in de minderheid was ten opzichte van de vier koningen en hun strijdkrachten, riskeerde Abram zijn leven om Lot en diens bezit te redden.
Het lot van Abra(ha)m
Parasha Lech Lecha beslaat het leven van Abram van zijn 75e tot zijn 99e levensjaar. Dit betekent dat hij het grootste deel van zijn leven leefde zonder zijn bestemming volledig te kennen. Pas toen God die aan hem openbaarde door middel van een verbond, werd zijn roeping duidelijk en leidde dit tot een naamswijziging. Abraham moest ook lange tijd wachten voordat hij de vervulling van Gods belofte zag in de vorm van een zoon, Izak. In deze parasha zegt God tegen hem: “U zult niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn, want Ik zal u vader van een menigte van volken maken” (Gen. 17:5).
Door de toevoeging van slechts één Hebreeuwse letter – de letter hey (ה) – veranderde Abram, ‘verheven vader’, in Abraham, ‘verheven vader van een menigte volken’.
De letter ה wordt vaak gebruikt als afkorting voor de Naam van God en komt twee keer voor in Gods persoonlijke (JHWH) naam. Door deze letter toe te voegen, verbond God Zichzelf als Abba Vader aan Abrahams natuur, karakter en bestemming.
Op dezelfde manier werd de naam van zijn vrouw veranderd: Sarai, wat ‘mijn prinses’ betekent, werd Sara, ‘prinses van de hele wereld’. Dit versterkt de Bijbelse gedachte dat een naamswijziging iemands lot kan veranderen.
God beloofde Abraham niet alleen het land Israël, maar ook dat hij een zegen zou zijn voor alle volken: “Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, en u zult een zegen zijn” (Gen. 12:2). “Door u zullen alle volken van de aarde gezegend worden” (Gen. 18:18; 22:17–18; 26:3–4).
Reflectie
Wanneer wij de reis van Abram lezen, zien wij een man die, op Gods roep, zijn vertrouwde omgeving achterlaat. Hij verlaat Ur, zijn familiekring, en zelfs het huis van zijn vader, om te gaan naar een land dat hem nog onbekend is (Gen. 12:1). Wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen hoe dat moet voelen: een stap zetten in het onbekende, gedragen door geloof en gehoorzaamheid.
Wij herkennen hierin momenten in ons eigen leven waarop we worden geroepen om los te laten wat vertrouwd is – oude gewoonten, zekerheid of veiligheid – om een nieuwe weg te betreden. Net als Terach, die onderweg bleef in Haran, ervaren wij soms de verleiding om stil te blijven staan, om de reis uit te stellen of om te blijven in wat bekend en comfortabel is. Haran staat voor stagnatie, voor een plek die uitput of verhardt, terwijl Gods roep klinkt om verder te gaan.
Gods opdracht aan Abram, lech lecha – “ga voor jezelf” – nodigt ons uit om ons eigen pad te bewandelen, stap voor stap, in afstemming op Zijn leiding (Gen. 12:1). Het gaat niet alleen om fysieke beweging, maar om een innerlijk proces van groei, gehoorzaamheid en vertrouwen. Zoals Henoch ‘met God wandelde’ (Gen. 5:24) en Noach ‘met God wandelde’ (Gen. 6:9), zo mogen ook wij leren om ons leven als een voortdurende wandeltocht met God te zien, waarin elke stap betekenisvol is, ook al kennen wij de uitkomst nog niet.
Als wij kijken naar Sichem, de terebint van Moreh en het altaar dat Abram bouwt (Gen. 12:6–7), worden wij herinnerd aan de kracht van tekenen en plekken die ons geloof verankeren. Sichem symboliseert draagvlak, een fundament waarop keuzes en beloftes rusten, terwijl de boom van Moreh ons wijst op leiding en inzicht. Wij mogen overwegen: welke plaatsen, momenten of herinneringen in ons leven functioneren als onze eigen Sichem of Moreh? Waar ervaren wij dat Gods leiding en belofte ons stevigheid en richting geven?
Wanneer wij zien hoe Abram Lot laat kiezen, en hoe Lot kiest voor wat op het eerste gezicht vruchtbaar lijkt, beseffen wij dat niet alles wat aantrekkelijk is, ook goed is (Gen. 13:10–11). Wij worden uitgenodigd om onderscheid te maken tussen wat tijdelijk voordeel biedt en wat een levenslange zegen vormt. Abram kiest voor Mamre bij Hebron – een plaats van standvastigheid en verbondenheid – en daarmee leren wij dat echte rijkdom vaak ligt in trouw, gehoorzaamheid en gemeenschap.
Ook in het verhaal van de strijd tegen de vier koningen en de bevrijding van Lot (Gen. 14:15–16) worden wij geconfronteerd met moed en opoffering. Abram riskeert zijn eigen leven om anderen te redden. Wij kunnen ons afvragen: in welke situaties zijn wij bereid risico te nemen voor het welzijn van anderen, zelfs als dat ons uit onze comfortzone haalt?
Wanneer wij nadenken over de naamsverandering van Abram in Abraham en Sarai in Sara (Gen. 17:5,15–16), beseffen wij dat Gods roep ons diep raakt, en dat het ontvangen van een nieuwe identiteit vaak samenvalt met het accepteren van een nieuwe bestemming. Net zoals de toevoeging van de letter hey de aanwezigheid van God symboliseert, mogen wij overwegen hoe Gods aanwezigheid ons vormt, ons karakter beïnvloedt en ons richting geeft.
Tot slot worden wij uitgenodigd om, net als Abram, onze grenzen te overstijgen – geografisch, geestelijk en moreel. Wij worden geroepen om ons los te maken van afgoderij, egoïsme en schijnbare zekerheid, en ons leven te richten op datgene wat blijvend is: een leven in vertrouwen, gehoorzaamheid en verbondenheid met God.
Mogen wij in ons eigen leven de moed vinden om ‘te gaan”’ lech lecha, en stap voor stap te wandelen op het pad dat God voor ons uitstippelt, wetende dat onze reis, net als die van Abraham, een levenslange oefening is in geloof, trouw en hoop.
Noten
1De naam El-Elohé-Israël kan letterlijk worden vertaald als: ‘God, de God van Israël’ of ‘God, de Machtige, de God Die Israël leidt en beschermt.’ De naam draagt bijzondere betekenis. Ze benadrukt de persoonlijke relatie tussen Jakob en Adonai: hij erkent dat Adonai Die hem heeft gezegend en beschermd, ook de God van zijn nageslacht is. Tegelijk is het een actieve naam, die God toont als Degene Die leidt, beschermt en trouw blijft aan Israël. Door zijn altaar zo te noemen, maakt Jakob duidelijk dat het land en de belofte van God onlosmakelijk verbonden zijn met Zijn eeuwige verbond met Israël.
2Gerizim wordt de berg van zegen genoemd (Deut. 11:29; 27:12–13).
3Ebal wordt de berg van vloek genoemd (Deut. 11:29; 27:12–13).
4.Een bloedverbond is een oud ritueel dat in de Bijbel en in de oudheid werd gebruikt om een zeer sterke, vaak eeuwigdurende overeenkomst tussen twee partijen te bevestigen. Het wordt letterlijk en figuurlijk “bloedig” genoemd, omdat het vaak gepaard ging met dierenoffers of met het laten vloeien van bloed, wat de ernst en de binding van het verbond symboliseerde.
5Het woord Mesopotamië betekent letterlijk ‘tussen de rivieren’ en verwijst naar het gebied tussen de Tigris en de Eufraat (het huidige Irak en delen van Syrië en Turkije). Abram groeide op in Ur van de Chaldeeën, een stad vol afgoden. Geestelijk gezien riep God hem op deze omgeving achter zich te laten en op de ene ware God te vertrouwen. Zo begon zijn reis naar Kanaän, het beloofde land, en de vervulling van Gods belofte.
6Voor een bredere verhandeling van het leven van Abraham wordt verwezen naar mijn boek ‘Geloof in zand en sterren’.
7Hobah, wat ‘verborgenheid’ of ‘schuilplaats’ betekent, symboliseert het einde van de strijd en Gods bescherming. Abram’s moed en gehoorzaamheid werden hier beloond: hij redde Lot en bewees dat vertrouwen op God tot overwinning en veiligheid leidt.
8Namelijk Abram